HET TOEKOMEND JAAR 3000: DE EERSTE NEDERLANDSE UCHRONIE

Marjolein Degenaar en Gert-Jan Lokhorst

1996

M.J.L. Lokhorst-Degenaar & G.J.C. Lokhorst. Het toekomend jaar 3000: de eerste Nederlandse uchronie. In G. Groot, H. Oosterling, & A. W. Prins, eds., Van agora tot markt: Acta van de 18de Nederlands-Vlaamse filosofiedag, vol. 21 of Rotterdamse Filosofische Studies, pp. 299-303. Faculteit der Wijsbegeerte, Erasmus Universiteit Rotterdam, Rotterdam, 1996. ISBN 90-5677-191-4.

Een uchronie is een utopie die zich niet op een andere plaats, maar in een andere tijd afspeelt. Sommige uchronieën spelen in het verleden, zoals de verhalen over Atlantis en het Paradijs, andere in de toekomst, zoals het vierde boek van Vergilius' Bucolica en The Time Machine (1895) van H.G. Wells. Het laatstgenoemde genre werd voor het eerst populair tijdens de Verlichting. Dit hoeft geen verbazing te wekken. Wanneer men in een gestage vooruitgang gelooft ligt het immers voor de hand om te gaan extrapoleren en zich af te vragen waartoe de vooruitgang zou kunnen leiden.

Gedurende de achttiende eeuw zijn er tientallen van dergelijke speculaties verschenen.1

Twee hebben nog steeds een zekere faam: het anonieme The Reign of George VI, 1900-1923 uit 1763,2 en Louis-Sébastien Merciers L'an 2440, rêve s'il en fût jamais uit 1771.3

In het eerste boek wint de Engelse koning George VI de Europese oorlog van 1917-1920 (!) en wordt als gevolg daarvan Koning van Frankrijk en heerser over heel Europa. De schrijver was vooral gepreoccupeerd met krijgskundige details; hij had er geen flauw vermoeden van hoe weinig de eerste wereldoorlog op de veld- en zeeslagen van zijn eigen tijd zou lijken.4

Merciers boek was veel populairder en invloedrijker dan The Reign of George VI. Mercier (1740-1814), een Franse toneelschrijver die vanwege de invloed die Rousseau op hem had wel "le singe de Jean-Jacques" genoemd werd, laat zijn hoofdpersoon zeven eeuwen slapen, waarna hij in het Parijs van 2440 (precies 700 jaar na Merciers geboortejaar) ontwaakt. Een geleerde leidt de grijsaard rond zoals Vergilius Dante rondleidde. Er blijken zich geen grootse technische of materiële veranderingen te hebben voorgedaan; net zoals de anonieme auteur van The Reign of George VI had Mercier er kennelijk geen vermoeden van hoeveel de zojuist begonnen industriële revolutie op deze gebieden zou veranderen. Wel voorzag Mercier grote vooruitgang op het morele en culturele vlak. Mede onder invloed van de filosofie zijn de mensen in de vijfentwintigste eeuw verstandiger geworden, waardoor zij minder misdaden bedrijven en er geen oorlog meer woedt. Voedsel, huisvesting, kleding, kortom, de gehele levenswijze is eenvoudig geworden. Deugd en braafheid voeren, ook op cultureel gebied, de boventoon.

Eén van de merkwaardigste zaken in 2440 is het tragische lot dat talloze boeken beschoren is: geschriften die als onjuist, gevaarlijk of ontuchtig worden aangemerkt, worden in het gunstigste geval verbeterd, ingekort of gekuist, en anders simpelweg verbrand. Zo hebben veel geschriften van Voltaire het wegens hun oppervlakkigheid moeten ontgelden. Alleen grootse en deugdzame werken, zoals die van Descartes, Montaigne en Corneille, blijken in hun geheel, in handzaam duodecimo formaat, herdrukt te worden.

Merciers roman wekte veel opzien en werd ook in Nederland besproken. In 1777 verscheen er een korte anonieme navolging waarin Mercier soms letterlijk geciteerd werd, getiteld Holland in 't jaar 2440.5 Het is goed mogelijk dat Betje Wolff (1738-1804) er de schrijfster van was, maar dit staat niet vast. Uit brieven blijkt in ieder geval dat zij "het zeldzaam werk L'année 2440" goed kende. Zij las het meerdere malen, streepte er de gedeelten in aan die haar het meest bevielen, en vertaalde ook een aantal passages in het Nederlands. Holland in 't jaar 2440 is een flauwe afspiegeling van Merciers omvangrijke roman en biedt niet veel nieuws. Dit is niet zo verwonderlijk, aangezien de auteur van mening was dat "Holland, altyd bezielt met den geest der naarvolging, [...] in 't Jaar 2440, zoo ver niet origineel, de Copie van Frankryk [zal] zyn." Een van de weinige verschillen is dat in Holland geen natuurlijke maar een christelijke godsdienst beleden wordt en dat men er geëmancipeerder is dan in het Parijs van Mercier.

De eerste oorspronkelijke Nederlandse uchronie is Het toekomend jaar 3000, eene mijmering uit 1792.6 Deze roman was van de hand van Arend Fokke Simonsz. (1755-1812) een destijds vermaarde veelschrijver die zich in zijn op populaire toon geschreven boeken ten doel stelde het gedachtengoed van de Verlichting te verbreiden. Hoewel Fokke door Mercier geïnspireerd was, is er geen sprake van slaafse navolging. Fokke's geschrift is vooral interessant doordat het, in tegenstelling tot Mercier en diens Hollandse imitator, een opmerkelijke visie op de loop van de geschiedenis ontvouwt.

Directe aanleiding tot het schrijven van Het Toekomend Jaar 3000 was een passage uit de Histoire critique de la philosophie van Deslandes (1690-1757) waarin deze beweerde dat de wereldse zaken als door een draad met elkaar verbonden zijn en dat men door die draad te volgen enigszins in de toekomst kan kijken.7 Fokke werd door deze gedachte geprikkeld om met "den telescoop der verbeelding [...] die op den voet van ondervinding en wijsgeerig indenken gesteld wordt" na te gaan hoe de wetenschappen en leefwijze er in het jaar 3000 vermoedelijk uit zullen zien.

In de loop die de geschiedenis volgens Fokke vanaf 1792 zal nemen zijn drie fasen te onderkennen. In de eerste fase zullen de behoeften van de mensen voortdurend toenemen. Iedereen zal zijn buren proberen te overtreffen in het bezit van schijngoederen, zoals uitheemse spijzen, bontgekleurde kleding, luxueuze woningen, juwelen en parfums. Begeerte en hebzucht zullen tot ongenoegens leiden die het menselijk leven verbitteren en aanleiding geven tot maatschappelijke wandaden en oorlogen.

In de tweede fase zullen luxe-artikelen door de steeds groter wordende vraag bijzonder schaars worden en zal de handel drastisch afnemen. Het ontberen van schijngoederen zal de mensen uiteindelijk noodzaken om deze te verachten.

In de derde fase zullen de mensen inzien dat zij in wezen slechts zeer weinig nodig hebben en zullen zij beseffen dat hun ware behoeften bestaan in "de kennis van verhevene waarheden en zulke wetenschappen, welke ons de grootheid van den Schepper in toenemenden luister voorstellen." Dan zal er "eene geheel wijsgeerige eeuw ontstaan, welke ook in den smaak voor schoone kunsten en wetenschappen den toon zal geven." Zo omstreeks het jaar 3000, zo vermoedt Fokke, zal de omwenteling in zeden en denkwijzen voltooid zijn.

Geïnspireerd door Mercier beeldt Fokke zich in dat hij door Merciers gids in het jaar 3000 wordt rondgeleid. Samen bezoeken zij een filosoof, een boekhandelaar, een kunstliefhebber, een regent en een theoloog.

Zo komt hij aan de weet hij dat de mensen in het jaar 3000 in een soort eenvoudige boerderijen of hutten wonen die zij op terpen hebben gebouwd. De dijken werden namelijk op den duur te kostbaar om te onderhouden; ze werden overal tegelijkertijd bouwvallig en "terwijl we, met groote kosten, aan den eenen wat lapten, brak er weder een andere door; het schijnt den mensch toch onmogelijk, om op den duur tegen de natuur te worstelen."

Iedereen, van jong tot oud, heeft een stuk land waarop hij zijn eigen voedsel verbouwt. Dieren worden uit eerbied voor de natuur niet gegeten. De mensen zoeken zelf hun geneesmiddelen op het veld. Men draagt eenvoudige, eigengemaakte kleding. Doordat men door eigen arbeid in zijn levensbehoeften voorziet, is de handel afgenomen en het gebruik van geld sterk verminderd. Alleen de boeknegotie bloeit als nooit tevoren.

Doordat iedereen even grote behoeften heeft en deze zelf kan bevredigen, bestaat er geen bevoorrechte groep meer die over zijn medeburgers heerst. Nederland is volstrekt egalitair geworden en iedereen spreekt elkaar aan met de term "vriend." Wel is er een soort goede vorst, de Vader van Nederland. Hij is de eerste uitvoerder der wetten en heeft geen dienaars of lijfwachten. Omdat er geen goud- en staatzucht is, bevindt heel Europa zich in politiek evenwicht.

Vreemdelingen worden gastvrij onthaald en het staat eenieder vrij te reizen. Paarden en rijtuigen zijn geen liefhebberij meer. Alleen stokoude, kreupele of zieke mensen laten zich vervoeren. Paarden of ballonnen worden alleen voor grote afstanden gebruikt.

In het jaar 3000 wordt "al wat de geleerdheid en beoefening der letteren aangaat [...] door elk voor uitspanning en vermaakshalve geoefend." Voor het zover was, was men echter door een diep dal gegaan. In de negentiende eeuw begonnen alle kunsten te degenereren. De kunst steeg boven de navolging der natuur; men probeerde de natuur te overtreffen maar de resultaten waren erbarmelijk. Schilders konden nog geen vinger goed tekenen, maar wel urenlange betogen houden over het tekenen van vingers. Toneelschrijvers schreven hun karakters voor zich in de gruwelijkste bochten te wringen en zorgden zo voor een verminking van de toneelkunst. Ook de muziek werd "wisselziek" en begon gruwelijk te ontaarden. Na de harmonie raakte de kakofonie in de mode: "men hoorde in de concerten niet anders dan gillen, krassen, gieren, zoodat velen, wier natuur niet zeer lijdelijk was, dit wangeluid niet konden uitstaan." Pas na vele eeuwen kwam men terug van dergelijke dwalingen.

De belangstelling voor poëzie is anno 3000 verdwenen, maar er wordt nog wel proza geschreven. Iedereen ontvangt hetzelfde onderwijs. Akademies bestaan niet meer, omdat de wetenschap doodeenvoudig geworden is en door leraren aan huis kan worden onderwezen. Valse stelsels zijn ontmaskerd. De weg tot kennis in de aard der dingen heeft men gevonden in de principes van "middelpuntzoeking en afwijking." Door het onderzoeken van "drupjes zenuwvocht" is men "al vrij verre gevorderd, met de verklaring van het wezen der ziel."

Het beeld dat we van het jaar 3000 krijgen voldoet aan de idealen van de Franse revolutie en lijkt in een aantal opzichten op dat van Mercier. De mensen zijn in wezen goed; zij zijn verstandig en tolerant en geloven in de rede; iedereen is gelijk, heeft een sobere levenswijze en voorziet in de eigen behoeften; men zoekt zijn "rijkdom niet meer in ellendig poppengoed van goud en zilver, maar in kennis en vergenoegen."

Wanneer we ons afvragen in welke fase Nederland zich anno 1996 bevindt, is het antwoord niet moeilijk: de eerste. De dijken worden steeds hoger; van het zelf voorzien in de eigen levensbehoeften, het nastreven van een sobere levenswijze en maatschappelijke gelijkheid is geen sprake; men zoekt zijn heil eerder in materiële luxe dan in intellectuele genietingen; men verplaatst zich liever op wielen en door de lucht dan te voet; er worden tientallen miljarden in wegen, spoorlijnen en luchthavens geïnvesteerd terwijl er op onderwijs, kunsten en wetenschappen wordt bezuinigd; het geld en de economie spelen een grote rol, de lijfwacht van de koninklijke familie is groter dan ooit tevoren en de misdaad bloeit.

Er zijn natuurlijk wel tegengeluiden te horen, maar zoals het er nu naar uitziet zal het inderdaad nog wel tot het jaar 3000 duren voordat de mensheid "door trapsgewijze vordering in kennis" een zodanig niveau van beschaving heeft bereikt dat de door Fokke beschreven "geheel wijsgeerige eeuw" kan aanbreken.


Previous | Up | Next

g.j.c.lokhorst@tudelft.nl || February 4, 2011 || HTML 4.01 Strict