Deel 3 1946 - 1955
Nederland en de integratie
Op 3 mei 1946 kwamen wij aan in Amsterdam. Ik herinner me hier weinig van, wat heel vreemd is. Het was toch een belangrijk moment. Aankomen in je vaderland. De toestand zal wel rommelig zijn geweest. Al die mensen die van boord moesten. Was er familie om ons op te wachten? Ik weet het niet meer. Ik weet wel dat Holland feest vierde. Overal vrolijke mensen, vlaggen en muziek. Nederland was een jaar bevrijd en dat werd uitbundig gevierd. Ik had geen enkel gevoel van blijdschap. Ik voelde me een vreemdeling in dit feestende land. Ik denk dat ik nog te veel bezig was met het eigen verleden. 5 Mei zegt mij nog steeds weinig. We werden opgenomen in het huis van de oudste broer van mijn vader.
Oom Kees en tante Wil van Noort woonden toen op de Heemraadsingel in Rotterdam. Oom Kees was huisarts. Zij hadden drie kinderen, die wij toen wel ontmoet hebben, maar ze waren alle drie al de deur uit. Oom Kees en tante Wil hebben ons met veel hartelijkheid ontvangen en ze hebben ons vier weken van onderdak en voedsel voorzien. Ik herinner me dat ik in die eerste tijd weinig van Nederland en de Nederlanders begreep. En ik had de indruk dat zij weinig van ons begrepen. Het was ook voor iedereen moeilijk. In Nederland was men bezig met hun oorlog, al was die in mei 1946 al een jaar voorbij. Wij waren onze oorlog aan het verwerken. We verstonden elkaar nauwelijks en we begrepen elkaar niet, althans ik niet. Vreselijke ervaringen zijn niet te vertellen. Ik luisterde wel naar de verhalen over de Duitse bezetting, over de bombardementen en over het verzet, dat door de moedigen was gepleegd. Ook door Van Noorten. Maar ik kon me daar niet goed in verplaatsen. Het waren twee werelden.
Ik denk dat ik toen een moeilijk meisje was, erg ontoegankelijk, ik zat in een cocon. In plaats van dat ik openstond voor verhalen uit mijn vaderland, zat ik "op slot".
Ik observeerde wel. Er werd heel veel gezegd over de jodenvervolging. Daar begreep ik helemaal niets van. Ik kreeg als eerste boek "Het Achterhuis". Ik las het pas veel later. Ik dacht toen wat hebben de Nederlanders nou werkelijk aan den lijve meegemaakt. Iedereen was in zijn eigen huis gebleven en wisten zij wel wat honger was? Maar ik wist van hun ervaringen niets. Wij konden onze verhalen niet kwijt.
Voor mijn moeder moet het ook een moeilijke tijd zijn geweest, het is nooit leuk om van liefdadigheid te leven. Op de Ataka-deken, de Ataka-kleren en de sigaretten na bezaten wij niets.
Dankzij een zoon van oom Kees, die in het verzet had gezeten, kregen wij het huis in Veur. Daar hebben wij erg mee geboft en daar waren wij erg dankbaar voor. Wij betrokken na vier weken logeren in Rotterdam het aardige huis in Veur, in de Raadhuislaan. Privacy! Weer in een huis wonen gaf ons een gevoel van luxe. Het was ook luxe want duizenden mensen wachtten toen op een huis. De meeste repatrianten uit toen nog Nederlands-Indië logeerden bij familie, ze bewoonden met het hele gezin één of twee kamers of ze werden ondergebracht in Indische pensions.
Veur – Leidschendam
Met z'n zessen begonnen we aan een nieuw leven. Het leuke huis lag aan een brede korte laan met maar vijf huizen. Een leuke woonkamer, vier slaapkamers, een voor- en een achtertuin. Wat een rijkdom. De laan liep uit op het raadhuis en dat was het raadhuis van Leid-schendam. Wij woonden dus in Leidschendam. Het oudste deel van Leidschendam ligt aan de Vliet, waar ook een sluis is. Het deel waar wij woonden heette voorheen Veur. Sommige mensen hadden het nog over Veur. De Damlaan verbond Leidschendam met Veur.
Wij moesten wennen aan het Hollandse leven. Ik was veertien jaar en ik werd voor het eerst ongesteld. Ook daar moest ik aan wennen. In het kamp had ik het woord menstruatie wel eens gehoord, maar ik wist niet wat dat was. Later heb ik gehoord dat bij de meeste vrouwen in de kamptijd de menstruatie gewoon is opgehouden.
Het huis was vrij leeg, van familie kregen we van alles om het bewoonbaar te maken. Ik kan me niet herinneren waar de meubels, het servies, het bestek en de kleren vandaan kwamen, maar er kwam van alles in huis. We waren eigenlijk arm, ik voelde dat niet zo. Moeder kreeg een uitkering in het kader van de AOR, de Algemene Oorlogsslachtoffers Regeling. Ik meen dat het zo heette. Het was nog geen 3OO gulden per maand. Moeder moest ook leren weer met geld om te gaan. Er kwamen heel veel nieuwe dingen op ons af, vandaar dat ook mijn herinneringen warrig zijn. Als we zin hadden om iets leuks te doen, speelden we kastie op straat en wel op blote voeten. Kastie is een soort slagbal. Aan een stok en een bal was nog wel te komen. Dit baarde veel opzien in Leidschendam.
Tengevolge van de oorlog was er een tekort aan alles in Nederland. Er werd gedistribueerd, veel kon je alleen maar op de bon kopen. Mensen uit Indië kregen de eerste tijd in Nederland meer, soms dubbele bonnen. Ik weet niet meer precies voor welke artikelen. In ieder geval voor textiel en vlees. Er waren Nederlanders, die hier boos over waren. Zij scholden ons uit voor "dubbelvreters". Dat bevorderde de integratie niet.
Moeder schreef ons in bij de Burgerlijke Stand op het raadhuis. Wij hadden geen papieren meer, maar we werden gewoon ingeschreven. Ik weet niet meer wat ik droeg in die tijd, ik denk dat me dat ook niet veel kon schelen. Op de Ataka-kleren na hadden we niets. Ergens vandaan moeten we kleren van familie hebben gekregen. Met die textielbonnen zouden kleren kunnen worden gekocht, maar er moest wel geld zijn om ze te betalen. Ik denk dat oma Van Noort ons veel geholpen heeft. Het was ook oma Van Noort die vond dat wij zo gauw mogelijk naar school moesten en liefst in Leiden. Oma woonde ook in Leiden. Na januari 1942 hadden wij geen regulier onderwijs gehad en het was inmiddels juni 1946. Hoe haal je dat in? Ik zat in het schooljaar 1941-1942 in de vierde klas van de lagere school en in juni 1946 was ik al veertien jaar oud. Er werd een onderwijzer gevonden die een groepje van vier leeftijdgenoten van mij gedurende een aantal weken lessen gaf op het niveau van vijfde en zesde klas lagere school. Na die weken vond hij dat we gewoon naar de HBS konden gaan in het nieuwe schooljaar, dus 1946-1947. En zo kwam ik op de overbruggings-HBS in Leiden terecht. De OHBS-sen waren opgericht om jeugd uit Indië gelegenheid te geven tijd in te halen. Als je goed was en erg je best deed, kon je zomaar ineens naar een hogere klas. Hierdoor zaten we die eerste jaren in Nederland weer met veel Indische lotgenoten bij elkaar. Allemaal vrienden en vriendinnen. Er werd nooit gepraat over wat we hadden beleefd, we keken niet terug. Ik weet niet waarom. Ook thuis werd niet meer over de oorlog gesproken. Op en na school was er eigenlijk geen tijd voor leuke dingen. We blokten, we hingen thuis met zijn vieren aan de eettafel tot middernacht boven de boeken. We wilden de tijd inhalen. Jan zat overigens op een gewone Nederlandse lagere school. Hij mocht met zijn negen jaar in de tweede klas beginnen. Ik begrijp nu nog niet hoe het allemaal kon, maar Wim en Tineke deden hun eindexamen in 1948 en ze slaagden. Lex deed het in 1949 en ik in 1950. Ook wij slaagden. Ik had dus met achttien jaar toch mijn HBS-diploma. De meeste klasgenoten waren twintig, eenentwintig en zelfs tweeëntwintig jaar oud.
Op deze school werden de vakken aardrijkskunde en geschiedenis niet of nauwelijks gegeven. Die vakken beschouwde men als overbodig, een luxe. Ik voel het nog steeds als een gemis dat ik zo weinig kennis heb van aardrijkskunde en geschiedenis. Het OHBS-diploma was wel gelijkgesteld met het rijksdiploma. Ik denk niet dat je met ons diploma bovengenoemde vakken kon gaan studeren. Er zal nog wel een extra examen zijn vereist. Voor de studie Nederlands Recht moest tenslotte ook nog een examen Latijn worden afgelegd. Zowel Wim als Lex zijn Medicijnen gaan studeren. Tineke is aan de opleiding Heilgymnastiek en Massage begonnen, dat heet nu Fysiotherapie. Daarnaast werkte ze part-time op een kantoor. Ik was erg geïnteresseerd in de politiek. Op school werd vaak over politiek gediscussieerd. Ik wilde dus graag Politicologie of Sociale Wetenschappen gaan studeren in Amsterdam en dat had ik ook best gekund, denk ik. Maar helaas ging dat niet door. Wij hadden een voogd, oom Kees. Hij kwam regelmatig praten. Hij vond dat ik beter voor een praktische opleiding kon kiezen. Want, zei hij, er is geen geld. De studie van Wim werd betaald door de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering van de Geneeskunst. Deze instantie was moeder al eerder te hulp gekomen omdat mijn vader arts was. Tineke en Lex studeerden op de regeling van een Renteloos Voorschot en mijn voogd dacht niet dat er nog een derde persoon uit een gezin daarvoor in aanmerking zou komen. Zijn woorden waren: "Ach meisje, word jij maar verpleegster, dan verdien je meteen wat geld. Je gaat toch trouwen en dan krijg je veel kinderen". Ik was verdrietig, ik liep de kamer uit. Ik koos voor een secretaresseopleiding bij Schoevers.
Eerst nog wat verhalen uit onze eerste tijd in Leid-schendam. Waarschijnlijk gedroegen wij ons anders dan men in Holland gewend was. Dat kwam niet alleen omdat wij uit een ander ver land kwamen, maar vooral ook door de oorlogs- en kampervaringen. Voor ons was dat gereguleerde leven in Nederland vreemd, iedereen liep er keurig bij. Ons kon het niets schelen wat we aanhadden, zolang we maar iets aan hadden. Schoenen waren duur, we liepen dus vaak op versleten schoenen die we hadden gekregen en die vaak pijn deden. We hadden lang niet op schoenen gelopen. Wel op klètèks, hoe schrijf je dat? Dat waren stukken hout met een bandje over je tenen. Ik kreeg er altijd wondjes van aan mijn enkels. Ik herinner me de keer dat ik voor het eerst op bezoek zou gaan bij een vriendin van school. Haar ouders hadden me geïnviteerd. Ze woonden in een vrij deftige buurt in Den Haag. Ik had me zo netjes mogelijk aangekleed en ik deed mijn nieuwe schoenen aan. Die schoenen kwamen uit een pakket, dat wij uit Amerika hadden ontvangen. Ik pakte de blauwe tram naar den Haag, een kwartje voor een retourtje! Bij het eindpunt, dat was toen "het Wachtje" bij het Malieveld, stapte ik uit. Het was nog wel een eind lopen, maar geld voor de stadstram had ik niet. Ik ging dus te voet verder. Al gauw kreeg ik zo'n pijn aan mijn voeten, dat ik resoluut die rotschoenen uitdeed. Ik kwam dus blootsvoets aan bij die lieve familie. Gelukkig kwamen deze mensen ook uit Indië, ze deden in ieder geval of ze het heel gewoon vonden. Soms komt het verhaal van "Els op haar blote voeten" nog boven water. Deze vriendin is nog steeds een heel lieve vriendin van me en de hele familie is me zeer dierbaar geworden. Later vertelden ze mij dat ze erg om mijn gedrag hebben moeten lachen. Zij mochten mij direct, juist om die blote voeten. In die eerste tijd speelden we immers ook graag kastie op blote voeten op straat. Ik had een eeltlaag onder mijn voeten.
Mijn eerste ervaring met de blauwe tram was ook niet zo leuk. Ik moest naar Leiden en ik was op tijd op de halte. De tram kwam aan, stopte, maar ik kon er niet in want de deur zat dicht. Ik kreeg hem niet open en niemand deed hem open vanuit de binnenkant. Vanuit de tram keken ze naar me, maar ik kreeg geen aanwijzingen. De tram reed weg en toen kreeg ik door dat ik aan de andere kant van de tram had moeten instappen. Ik heb dus een half uur moeten wachten en ik heb gedacht: die rot Hollanders. Ik schaamde me ook, ik voelde me een enorme domoor. Niemand had mij ooit geleerd hoe je een tram moet instappen. Nog een voorbeeld. Mijn broer stond op het perron in het station van Leiden. Hij merkte dat hij niet op perron één, maar op perron twee moest zijn. Dus sprong hij naar beneden, stak de rails over en hij klom aan de overkant weer naar boven. Daar kreeg hij te horen dat wat hij had gedaan streng verboden was en heel gevaarlijk. Wist hij veel. Ook voor hem was het de eerste keer dat hij met een trein zou reizen. Nog zo'n komisch voorbeeld van wereldvreemd gedrag van jonge mensen uit Indië. Een vriendin van me ging een winkel binnen om een kam te kopen. Ze pakte er een en ze vroeg naar de prijs. De juffrouw achter de toonbank zei: 40 cent, waarop mijn vriendin zei: ik betaal er niet meer voor dan 25 cent. Wij hadden wel geleerd te tawarren (afdingen), maar dat was in Nederland niet bekend en ik denk ongepast. Mijn vriendin werd te kennen gegeven dat ze haar boodschappen voortaan maar elders moest doen.
Door schade en schande werden wij wijzer. Wij moesten nog zoveel leren. Wij deden ons best om te integreren, maar wij hadden ook vaak andere opvattingen dan men in Nederland gewend was. Nu ik een paar van die gekke ervaringen heb opgeschreven, moet ik er om lachen en ik verbaas me erover. Ze zijn echt gebeurd, ze lijken onvoorstelbaar. Het speelde allemaal 58 jaar geleden.
Wij waren met ons zessen redelijk gelukkig in ons huis in de Raadhuislaan. Moeder had haar vriendin, tante Janty, weer gevonden. Ze maakten vaak een afspraak met elkaar. Er was veel aanloop bij ons, het was een gezellige boel. Indische mensen zoeken elkaar op. We kenden elkaar van school, uit het kamp of zelfs van voor de oorlog. Hella en ik hebben elkaar toen ook weer gevonden. In den Haag zat toen en zit nog steeds een grote concentratie van mensen uit Indië. Hella's familie, de familie Banning, woonde in Zeist. Liftend ging ik daar wel eens heen. Tante Janty en oom Theo woonden de eerste tijd in zo'n Indisch pension, niet ideaal. Oma Van Noort zat regelmatig bij ons sokken te stoppen en ik herinner me dat we vaak andijvie aten met een gehaktbal.
Wim, Tineke, Lex en ik voelden ons verantwoordelijk voor moeder. Moeder kookte en wij deden om de beurt de afwas. Wij probeerden alles zo te regelen dat moeder 's avonds niet alleen was. We hadden ineens een radio, wat een luxe. Het was de tijd van de Ramblers, de Skymasters en de Bonte Dinsdagavondtrein. Veel Glenn Miller met "In the Mood". Ook was er ineens een prachtige fiets al weet ik niet meer waar die vandaan kwam. Allemaal wilden we die fiets proberen. Toen ik aan de beurt was merkte ik dat ik er moeilijk op kon komen. Het was een herenfiets en een beetje te hoog voor mij. Enfin, het lukte erop te komen en toen maar trappen. Ik fietste en fietste maar en ik wilde wel weer eens terug. Ik zat al in Voorschoten. Ik vond de terugtraprem moeilijk, ik wist niet hoe ik eraf moest komen. Tenslotte ben ik opgehouden met trappen en toen een heg ingereden. Daar kon ik eraf, de fiets keren, er weer opklimmen en terugfietsen naar Leidschendam. Daar lukte het me ook via een heg eraf te komen. In Pati had ik wel gefietst, maar dat was een kinderfiets voor meisjes. Later hadden we allemaal een fiets en toen fietste ik vaak naar school in Leiden en nog weer later fietste ik dagelijks naar Den Haag, waar ik werkte.
Die eerste tijd in Leidschendam waren we arm. Moeder had moeite om met die uitkering het huishouden te runnen. Er waren vele magen te vullen. Toen deed zich de gelegenheid voor twee meisjes in ons gezin op te nemen. Daar kreeg moeder wat geld voor. Het waren twee zusjes, waarvan de ouders weer terug gingen naar Indië. Tineke en ik verhuisden naar de zolder, waar nog een kamer was gemaakt en Fransje en Puck kregen onze kamer. Dat is allemaal best goed gegaan, hoewel ik niet weet hoe Fransje en Puck het hebben gevonden. Fransje kwam ook bij ons op school en Puck ergens anders, ik weet niet meer waar. Ze zijn een paar jaar gebleven. Ik herinner me dat Fransje erg sportief was. Ze hockeyde en toen er ijs was in de winter, wilde zij meteen gaan schaatsen. Ze zakte door het ijs, ze kwam bibberend thuis. Ik zie Fransje nog vlak voor de kachel zitten, om zich te warmen. Ook haar kleren hingen op een rekje bij de kachel. We hadden toen een lange, ijskoude winter met bloemen op de ramen en geen centrale verwarming. De school kon de lokalen ook niet warm krijgen, ook geen centrale verwarming, per lokaal een kachel. We moesten toen twee of drie keer in de week naar school om huiswerk in te leveren en nieuw huiswerk op te halen.
We moesten ook boeken lezen. Het eerste boek, dat ik toen las, was "Het Achterhuis" van Anne Frank. Wij waren toen net in Nederland. Ik kon het niet helemaal bevatten. Het zinloze "opruimen" van miljoenen mensen begreep ik niet. Was dat niet te voorkomen geweest? Later hoorden wij op de radio heel veel praten over de oorlog in Nederland en over de holocaust. Toen heb ik het verhaal van Anne Frank nog eens gelezen en het maakte een verpletterende indruk op me. Eigenlijk niet te geloven dat het echt gebeurd was. Dat mensen in staat zijn miljoenen medemensen te vergassen omdat ze van een ander ras zijn. Wij waren onbewust nog met ons eigen verleden bezig. Daar werd niet over gepraat en toen werd ik me ervan bewust dat wij weinig over vader en nooit over de oorlog spraken. Om de een of andere reden waren we daar niet toe in staat.
Fietstochten
Om Nederland te leren kennen gingen we op de fiets naar Rijssen in Salland. We gingen kamperen bij een boer, lekker goedkoop. Niet in tenten, we sliepen in het hooi. Fransje, Puck, Wim en Lex vertrokken vanuit Leidschendam. Ze volgden een andere route dan Tineke en ik. Zij staken op een boot het IJsselmeer over, ze waren eerder in Rijssen. Tineke en ik vertrokken vanuit Rotterdam. Oom Kees had daar voor een tandem voor ons gezorgd. Hij had ook dat adres van die boer in Rijssen geregeld. Tineke zat voorop en wij maar trappen. Het was een gigantische afstand, 110 km of daaromtrent. En ervaring met fietsen hadden wij ook niet. We kletsten veel, we zongen wat, maar het werd alsmaar stiller. We werden moe en dorstig. We hadden wel een boterham bij ons, nauwelijks iets te drinken en geen geld voor een café. We stopten bij een boerderij, onze dorst was groot. Er was geen bel, we klopten op een grote deur. De bovendeur ging open. Een boerin keek ons wantrouwig aan. Wij zeiden dat we dorst hadden en we vroegen beleefd of ze water voor ons had. Zij zei nee en ze deed de deur dicht. Wij waren met stomheid geslagen, hoe kun je iemand water weigeren. Gelukkig kregen we bij een volgende boerderij wel water te drinken. Ik herinner me dat ik Nederland toen groot en leeg vond en ook erg mooi. Er was toen ook nog heel weinig verkeer. Tineke en ik hebben die dag Rijssen nog bereikt, weliswaar met veel zadelpijn. We hadden het toen over eeltvorming op de billen. Wij hebben een heel leuke vakantie gehad, we hebben veel van Nederland gezien en we hebben ook iets van de verschillen in mentaliteit per streek gemerkt. Soms waren de mensen hartelijk en hulpvaardig, soms heel stug. Hoe we Rotterdam weer hebben bereikt via een andere route weet ik niet meer. Vreemd, maar daar herinner ik me niets van.
Ook met Mimi maakte ik een fietstocht om Nederland te verkennen. Deze keer niet op een tandem. Ieder op haar eigen fiets en de kwaliteit van die fietsen was beslist niet van de kwaliteit van de fietsen nu. We begonnen in Den Haag/Leidschendam. De eerste dag fietsten we naar Tilburg, waar Mimi familie had, waar we hoopten te kunnen logeren. Welke route we gefietst hebben weet ik niet meer, maar op een gegeven moment zaten we op een dijk. Omdat ik van het landschap genoot en omdat het fietspad smal was, ben ik met fiets en al van de dijk gevallen. En wij maar lachen. Toch was het wel pech, want mijn fiets stond scheef en ik wist niet hoe ik die weer recht moest krijgen. Er passeerde een heer en wij vroegen hem of hij ons kon helpen. Hij deed of hij ons niet hoorde en wij riepen hem na: barmhartige Samaritaan. Gelukkig kwam een boer ons te hulp. Heel handig trok hij de fiets weer recht, er was in ieder geval weer op te fietsen. We kregen nog een slok water uit een heel vies bekertje. Ik bedankte hem hartelijk voor zijn hulp, waarop hij mij een gemoedelijke klets op de billen gaf. Wij fietsten toen maar snel weer door. Daar op dat dijkje tijdens onze gesprekken besloten we elkaar voortaan Kris en Kras te noemen.
We kwamen aan in Tilburg, we vonden het huis, we werden hartelijk ontvangen en we hebben er lekker geslapen. De tweede dag fietsten we naar noord Limburg, waar we in een jeugdherberg sliepen. We hadden een adressenlijst van jeugdherbergen bij ons. In die jeugdherbergen waren altijd een "vader en moeder" aanwezig, je sliep met meerdere in een ruimte en je werd geacht mee te werken aan karweitjes, die gedaan moesten worden zoals afwassen of aardappels schillen. Vandaar uit vertrokken we naar Sittard. Daar kende ik weer mensen uit het kamp. Het was er erg gezellig, echt Limburgs, maar ook de sfeer van oude vrienden, die elkaar weerzien. Wij sliepen daar een nacht, maar de volgende dag was ik ineens mijn fietssleutel kwijt. Een ramp, want we wilden verder met onze tocht Overal gezocht zonder succes. Toen stelde de gastvrouw voor om een gebedje te zeggen bij de Heilige Antonius. Dit was voor Kris en mij een verrassend voorstel. Wij kenden de Heilige Antonius niet, maar we gingen. We zaten tenslotte in het katholieke deel van Nederland en onze lieve gastvrouw meende het serieus. Dus met de gastvrouw op naar de kerk. Zij bracht ons naar het beeld van Antonius, we kochten een kaars, staken hem aan en ik zette hem bij het beeld. Daar sprak ik de woorden: Heilige Antonius, beste vrind, maak dat ik mijn sleutel vind. Dank U". Ik dacht wat een lariekoek, maar ik vond het toch een plechtige ervaring. Onze gastvrouw was zeer gelovig. Thuisgekomen, ging ik onmiddellijk weer zoeken terwijl er lekkere koffie werd gezet. Tot mijn grote opluchting en verbazing vond ik mijn fietssleutel onder mijn bed. Hoera, hoera, iedereen blij. Na een lekker kopje koffie, vertrokken Kris en ik en we fietsten die dag naar Vaals, waar we twee nachten logeerden in een jeugdherberg. Daar hadden we een dag om wat te wandelen. Wij vonden het daar mooi met eindelijk weer eens heuvels.
Daarna gingen we weer in noordelijke richting. Ik weet niet meer precies op welke plekken we nog hebben overnacht, maar we genoten en we hebben veel gelachen. We kwamen in Arnhem, waar ik weer mensen uit het kamp kende. We wilden proberen of we daar zouden kunnen overnachten. We kwamen daar dus onverwacht. Het was er een gezellige drukte, ook erg rommelig. Ik vond het leuk mijn kampvriendin en haar hele familie weer terug te zien. Haar vader had ik vanzelfsprekend nog nooit ontmoet.We hebben veel bijgekletst, vooral over hoe we het in Nederland vonden. Daar werden we ook meteen uitgenodigd voor de maaltijd en we konden blijven slapen. Weer realiseer ik me nu hoe hartelijk en gastvrij Indische mensen meestal zijn. Ik denk dat wij dat van de Indonesiërs hebben geleerd.
De volgende dag werd in de stad de fiets van Kris in een bocht nogal plat gereden door een vrachtwagen. Gelukkig kon Krisje er nog afspringen en ik kon ook nog net met fiets en al op de stoep gaan staan. De vrachtwagenchauffeur is vrolijk doorgereden. Dubbele pech, want èn de fiets was kapot èn we hadden net een heel brood gekocht, beide waren plat. We hadden zo weinig geld, toch moesten we zien die fiets gerepareerd te krijgen. In die tijd repareerden ze nog alles, dus ook de fiets van Kris. We sliepen die nacht in een goedkoop pensionnetje. In mijn herinnering zijn we toen de volgende dag in een ruk naar huis gereden. Kris en Kras hebben nog steeds leuke herinneringen aan die fietsvakantie.
Met de familie van Kris heb ik nog een heerlijke boottocht gemaakt over het IJsselmeer. Met een botter bezochten we alle oude vissersdorpen en af en toe doken we in het water, dat toen nog zo schoon was. Ook heb ik met deze lieve vrienden genoten van een vakantie op Vlieland. Het huisje, de Keet, waar we logeerden, lag boven op een duin. Vlieland was toen nog zo stil. Wij hadden een mooi, schoon en breed strand voor ons zelf. Onvoorstelbaar. Terwijl ik al deze vakanties beschrijf, realiseer ik me dat ik toen toch al heel wat van Nederland had gezien.
Kris is ook twee maal met ons mee geweest met vakantie. Mijn moeder nodigde haar uit voor een reisje naar de Vogezen. We logeerden op een goedkoop adres in Colmar. Wat hebben we daar ook weer van genoten. Mijn moeder was een lieve moeder en ze was heel leuk om mee te reizen. Ze zat boordevol humor en ze hield van avontuur. Colmar is een mooi stadje, we wandelden ook veel in de bergen rondom Colmar. Ik herinner me Col de la Schlucht. Het was onze eerste buitenlandse reis. Op die reis bezochten we ook Straatsburg, ik herinner me een gebouw, ik dacht een parlement, waar het prilste begin was van Europese samenwerking. Alles deden we met het openbaar vervoer en alles was voor ons een groot avontuur.
Een paar jaar later zijn we met z'n drieën naar Locarno geweest. Wat waren we onder de indruk van de prachtige Zwitserse bergen. Wat is het Lago Maggiore mooi. Het was een fantastische vakantie, vooral heel romantisch. Kris en Kras waren toen ook op een romantische leeftijd.
Het gevecht om pensioen
Ik denk dat het in 1950 was dat zich het volgende voordeed. Toen ik een keer van school kwam, was moeder erg opgewonden en blij. Zij had bezoek gehad van twee marineofficieren. Ze wilden de weduwe van B. van Noort spreken. Ze hadden een mededeling te doen van toen nog het Ministerie van Marine. Moeder nodigde ze uit voor een kopje koffie. Zij hebben haar toen de blijde mededeling gedaan dat moeder recht had op ruim drie jaar achterstallig salaris van marineofficier Van Noort. Dat was voor de periode dat mijn vader krijgsgevangene was. Ik meen dat het om 32.000 gulden ging. Mijn moeder, met een voortdurend probleem van geldgebrek, was erg opgewonden. Wat een kapitaal ineens. Wij verheugden ons allemaal op de toekomst, vooral voor moeder. Toen de opwinding voorbij was, ging moeder nadenken over deze hele gang van zaken. Ze dacht dat het logisch was dat als het ministerie drie jaar achterstallig salaris moest betalen, de consequentie moest zijn, dat ze ook een pensioen zouden moeten betalen. Vader was tenslotte als krijgsgevangene overleden. Ze sprak hierover met vrienden en familie, die daar enig verstand van hadden en men deelde haar mening. Ze was in het bezit van de brief van de marineofficieren, waarin haar het achterstallig salaris was toegezegd. Moedig stapte zij met die brief naar het ministerie om een gesprek hierover te vragen. Ze vroeg of ze iemand kon spreken, die haar hierover inlichtingen kon geven. En toen kwamen de problemen.
In die tijd was er geen sprake van een kopie maken, dus gaf mijn moeder de originele brief, die ze van het ministerie had aan, waarschijnlijk, de bode van het ministerie. Zij verzocht om een gesprek met iemand, die naar aanleiding van de brief, haar inlichtingen zou kunnen geven. De bode zou op zoek gaan. Hij kwam terug met de boodschap dat er op dat moment niemand beschikbaar was. Moeder vroeg om haar brief, maar die bleek vanaf dat moment spoorloos verdwenen te zijn. Die brief was het enige tastbare bewijs, dat zij had van het haar toegezegde achterstallige salaris. Dit was een grote domper voor moeder en dit muisje zou een heel lange staart krijgen. Het heeft jaren geduurd voordat deze affaire was opgehelderd. Het is een ongelooflijk verhaal.
We hadden een beetje geluk, want Tineke werkte parttime op een advocatenkantoor. Toen een van de advocaten het verhaal hoorde, werd hij kennelijk boos. Na een gesprek met moeder, stelde hij voor een proces aan te spannen tegen de Staat der Nederlanden. Hij vond de zaak zo onrechtvaardig dat hij er gewoon zin in kreeg het proces te beginnen. Hij zei dat als hij het proces zou verliezen, hij geen honorering hoefde te hebben. Als het proces werd gewonnen, moest gewoon het gebruikelijke bedrag worden betaald. No cure, no pay. Gelukkig dat er nog zulke mensen waren. Het was een uitkomst voor moeder, want wij konden ons geen advocaat veroorloven met een uitkering van de Algemene Oorlogsslachtoffers Regeling, de AOR. Moeder was blij, ze was strijdvaardig genoeg. Het proces heeft jaren geduurd. Ik weet niet meer precies wanneer het gewonnen werd.
Ik deed in die tijd mijn secretaresseopleiding en ik ben vervolgens zeven maanden au pair in Londen geweest om de Engelse taal goed te leren spreken. Ik had ook nog een periode in Frankrijk willen doorbrengen, maar na terugkomst uit Londen werd me een mooie baan aangeboden bij het Secretariaat van de Nederlands-Indonesische Unie. Ik werd secretaresse van de Secretaris-Generaal van deze unie. Mijn baas was een heel bijzonder mens, ik heb veel van hem geleerd en dat terwijl ik een slechte secretaresse was. De Nederlands-Indonesische Unie was helaas een "doodgeboren" kindje. De politieke verhoudingen waren zo verslechterd, dat er niet veel te regelen viel. Er waren in die jaren wel veel conferenties. Daar ontmoette ik o.a. Mohammed Hatta en Sutan Sjahrir. Ik heb toen veel kennis opgedaan over de ontwikkelingen in de relatie tussen Indonesië en Nederland. Dat onderwerp heeft nog steeds mijn belangstelling.
Gedurende de hele bovengenoemde periode was het proces over uitbetalingen aan en eventueel een pensioen voor mijn moeder aan de gang. Het proces sleepte zich voort. Er moest ook veel "voorwerk", veel onderzoek voor gedaan worden. Het proces diende voor het Ambtenarengerecht en dat zat in de buurt van het Vredespaleis. Ik zou het niet meer kunnen terugvinden. Toch heb ik moeder menigmaal begeleid naar een zitting.
Het is heel vreemd dat de overheid het tot een proces heeft laten komen. De betrokken ambtenaren van het ministerie van Marine hoefden het achterstallige salaris en het pensioen van mijn vader toch niet uit eigen zak te betalen! Er is voor mij nog steeds veel onduidelijk over het gevoerde proces. Het was in ieder geval niet transparant om een modern woord te gebruiken.
Moeder moest ineens met allerlei bewijzen komen. Bijvoorbeeld bewijzen dat mijn vader bij de Koninklijke Marine was. Waarom was hij dan ineens bij het KNIL gedetacheerd? Toen de oorlog tegen Japan al aan de gang was, is er een dringende oproep over de radio geweest aan alle mannen om zich te melden bij het leger. Mijn vader was reserve-officier van gezondheid bij de Koninklijke Marine. Na een dringende oproep via de radio aan alle mannen, heeft mijn vader zich toen als marinearts in Tjimahi gemeld en daar werd hij toen gedetacheerd bij het KNIL, het Koninklijk Nederlands Indisch Leger. Dat was de keer dat hij van ons in Ngablak afscheid kwam nemen. Hoe kon moeder bewijzen dat er een oproep aan alle mannen was gedaan? Hoe kon ze bewijzen dat hij in Tjimahi bij het KNIL was gedetacheerd? Wij waren zonder een papier in Nederland aangekomen. Het waren chaotische tijden. Wij konden helemaal niets bewijzen, maar er moesten wel bewijzen komen. In Indonesië heersten gedurende een lange periode na de capitulatie van Japan ook chaotische toestanden. Er was toen niet aan officiële papieren te komen.
Gelukkig zijn er wel enkele bewijzen gevonden. Er werden mensen gevonden die zich herinnerden dat er inderdaad dringende oproepen waren gedaan aan alle mannen om zich voor het leger te melden. Vervolgens werden er twee dames gevonden die in 1942 in Tjimahi woonden en die er nog woonden ten tijde van het lopende proces. Deze dames herinnerden zich dr.Van Noort heel goed, hij was bij hen ingekwartierd. Zij wisten dat hij marinearts was, doch gedetacheerd bij het KNIL. Ze waren nog in het bezit van zijn microscoop. Later hebben ze die naar ons toegestuurd en mijn broer heeft hem nog gebruikt. Er waren genoeg getuigen te vinden die zich vader herinnerden uit het gevangenkamp bij de in aanleg zijnde spoorlijn naar Pakan Baroe op Sumatra. Blijkbaar droeg mijn vader daar vaak zijn marinepet en dat was opvallend. Langzamerhand had onze advocaat, de heer Bos, genoeg bewijzen. Ik herinner me dat hij ons eens vertelde dat de Landsadvocaat naar hem toe was gekomen en dat deze hem had gezegd: "Ik zou in Uw schoenen willen staan. Deze zaak stinkt." Deze uitspraak spreekt voor zichzelf. Het duurde toen ook niet meer zo lang. Deze zaak had in die jaren in bepaalde kringen wel bekendheid gekregen. Er waren zelfs vragen over gesteld in de Tweede Kamer. Het was ook een schaamteloze vertoning en dat allemaal tengevolge van een "zoekgeraakte" brief. Wat waren we blij toen de voor ons positieve uitspraak kwam. Mijn moeder had gewonnen en wel dankzij de heer Bos. Een compliment voor een hulpvaardig en rechtvaardig mens.
Toen moest nog worden besloten op welke basis het pensioen moest worden vastgesteld. Het werd een vorstelijk pensioen. Mijn moeder werd na jaren armoe een rijke weduwe. Ze heeft er tot aan haar dood in 1995 van genoten. Het leven werd aangenamer voor ons allen. Moeder kon mooie kleren kopen en leuke reizen maken. Beide deed ze graag. Wij gingen vaak naar concerten. Moeder kon iets voor tante Janty en oom Theo doen, die straatarm waren. Oom Theo kreeg geen pensioen. Ik meen omdat de maatschappij waar hij voor werkte, failliet was gegaan. Dit is een voorbeeld van de vele vreselijke gevolgen van de Japanse oorlog en de Bersiap. Denk eens aan al die KNIL-mensen, die geen pensioen hebben gekregen. Te gek voor woorden. Schande.
Even tussendoor nog een verhaal over "geen-papieren-hebben". Veel vluchtelingen kunnen daardoor in de problemen komen. Na het overlijden van mijn moeder in 1995, kreeg de notaris, die het zakelijk voor ons zou regelen, een brief van de gemeente Waalre. Hierin stond dat M.S. van Noort – Suyling dan en dan was overleden. Daarop volgde een opsomming van haar kinderen. Tot grote verbazing van de notaris stond ik daar niet bij. Ik ben sinds 1976 ingezetene van deze gemeente, maar de gemeente dacht daar anders over. Ze beschikten niet over mijn geboortebewijs, dus ik bestond eigenlijk niet. Wat een papieren wereld, dacht ik. Na vijftig jaar werd ik weer geconfronteerd met het feit dat ik papierloos in Nederland was aangekomen. Ik was wel een beetje boos. Gelukkig was het allemaal gauw geregeld voor me. Ik denk dat veel vluchtelingen hedentendage veel problemen hebben met hun papierloosheid.
Nu weer terug naar de goede jaren in Leidschendam. Gewoon wat leuke herinneringen. Ik ging tennissen met vrienden. Ik ben nog steeds dol op tennissen. Af en toe roeien op de Vliet in een pieremegoggel. Ik heb gehockeyd in Wassenaar. Helaas maar een paar jaar, want ik kreeg een hernia. Als het lekker weer was, ging ik op de fiets via Voorschoten vrienden ophalen in Wassenaar en dan gingen we naar de Wassenaarse Slag. Ik bezocht vaak de lunchconcerten van het Residentie Orkest in het gebouw van Kunsten en Wetenschappen. Lex en ik zaten samen op dansles. Er kwamen veel vriendjes in het leven van Tineke, vriendinnen in het leven van Lex en ook ik was wel eens verliefd, maar pas heftig in 1955. Jan had een zalig leventje, hij was echt een beetje de verwende jongste. Maar mijn liefste broer Wim had het moeilijk, hij was erg depressief, hij kon niet van de oorlog loskomen. Gelukkig had hij wel een paar vrienden. Ik voelde me ook vaak verdrietig omdat Wim verdrietig was, maar hij was moeilijk te helpen.
Toen het Secretariaat van de Nederlands-Indonesische Unie was opgeheven, ging mijn baas werken voor de NUFFIC, Netherlands University Foundation for International Cooperation en ik volgde hem daar. Sorry, ik weet de officiële Nederlandse naam niet van deze stichting en ik weet ook niet of hij nog bestaat. Deze stichting was ondergebracht bij het Institute for Social Studies, dat in het paleis Noordeinde was gevestigd. Dat was een interessante periode. Zowel het Institute als de Nuffic waren in het leven geroepen om studenten uit ontwikkelingslanden gelegenheid te bieden enkele maanden, vaak veel langer, kennis op te doen over het rijke Westen en om tot meer begrip voor en samenwerking met elkaar te komen. Althans zo heb ik het begrepen. Het was de tijd van het ontdekken van ontwikkelingslanden door het economisch groeiende Westen. Het was de tijd van Tinbergen. Ik herinner me interessante contacten met Egyptische en Libische studenten. Er werd vrijwel uitsluitend Engels gesproken.
Nadat mijn baas wegens pensioen vertrok bij de Nuffic, ben ik daar ook vertrokken. Toen heb ik nog een jaar gewerkt voor een Amerikaanse zakenman. Dat was totaal anders denken en werken, maar ook die ervaring heb ik opgedaan. Ik realiseer me nog steeds dat ik erg geboft heb met die eerste baas, waar ik voor heb mogen werken. Ik heb veel van hem geleerd. Dingen, waar ik mijn hele leven plezier van heb gehad. Onder andere heeft hij me geleerd om altijd te streven naar objectiviteit. Probeer problemen van alle kanten te bekijken, heb geen vooroordeel. Leer zelfstandig te denken, dan pas kan je een eigen opinie hebben en verdedigen. Lees diverse kranten. Misschien is het niet altijd gelukt het in praktijk te brengen, maar ik streef er nog steeds naar.
Wij zaten in de vijftiger jaren. In Nederland werd nog steeds gewerkt aan de wederopbouw. Het leven was overzichtelijk en sober. Iedereen deed zijn best. Iedereen kon ook meteen een baan krijgen.
De heel grote groep mensen uit Nederlands-Indië had zich stilletjes aangepast aan de Nederlandse regels en opvattingen. Maar hun verhaal was nog steeds niet gehoord, ze konden het nergens kwijt. Zij vergaten hun eigen verleden bijna of ze hadden het opgeborgen. Ze bleven zich wel aan elkaar vasthouden.
Met de Van Noorten in Leidschendam ging het goed, Leidschendam had ze geaccepteerd. We hadden vrienden gekregen in het toen nog kleine dorp. Ik voelde me ook helemaal Nederlandse. In 1955 werd ik verliefd en zoals dat toen behoorde te gaan: verliefd, verloofd, getrouwd. De verliefden van toen zijn elkaar nu al bijna vijftig jaar trouw.
Hier wil ik het derde deel van mijn verhaal, het deel Integratie afsluiten. En dit is dus het einde van mijn verhaal.